Beweging leren

Hoe leert je baby eigenlijk?

Vroeger dacht men dat er een speciaal programma in het brein zat, waardoor een baby gaat omrollen, zitten, kruipen, staan en dan lopen. Op deze zogenaamde mijlpalen focuste men en dat is nog steeds zo. Het moment dat je kind zijnnooteerste stapjes zet zal in je geheugen staan gegrift. Er is inderdaad zo’n programma, maar zonder de stimulatie van ervaringen zal een baby een heel mager repertoire ontwikkelen. Het leren gaat vanuit de samenwerking tussen het voelen en de beweging.Het voelen gaat over de zintuigen in de huid, in de pezen en de spieraanhechtingen en die noemen we ook wel sensoren.

Je kunt met je huidcellen aanraking waarnemen, maar ook je bewegingen opmerken, je kunt met je handen en voeten tasten en overal in je lichaam verschil in temperatuur en druk waarnemen: dit noemen we ook wel de sensoriek, het samenspel van al onze sensoren. De beweging, ook wel motoriek genoemd, gaat in het begin over het verplaatsen van lichaamsdelen ten opzichte van elkaar, zoals een hand naar de mond brengen, en later ook door de ruimte, zoals het kruipen door de kamer.

Sensomotoriek

De samenwerking van sensorisch voelen en beweging noemen we sensomotoriek. De zenuwcellen zijn in de hersenen qua functie bij elkaar gegroepeerd. De informatie uit je ogen worden bijvoorbeeld in de visuele hersenschors verwerkt tot beelden met herkenning en betekenis. Er zijn ook gebieden voor beweging en voor voelen, de homunculi. Homunculus is Latijn voor klein mannetje. Zie afbeelding.

Klein mannetje in het brein, een homunculus voor voelen links en voor bewegen rechts.

Klein mannetje in het brein, een homunculus voor voelen links en voor bewegen rechts.

Van die kleine mannetjes hebben we er twee, één voor het voelen en één voor bewegen. En dan ook nog verdeeld over twee hersenhelften: een halve motorische rechts en een halve links, een halve sensorische rechts en de andere helft links. Je kunt het kleine mannetje voor voelen zien als een soort plattegrond, zoals een plattegrond van een stad. Elke sensor in je lichaam is verbonden met een zenuwcel in de sensorische hersenschors.

Hersenen en de homunculi voor voelen en bewegen, door wisselwerking leren baby's bewegen

Kleine mannetjes voor voelen en bewegen als een soort plattegrond van de hersenhelften.

Wetenschappelijk onderzoek

Wilder Penfield deed in de dertiger jaren van de vorige eeuw onderzoek, waarbij hij van mensen het schedelbot zo loszaagde dat de hersenen bloot kwamen te liggen. Elke keer prikte hij heel licht in de schors en mensen antwoorden waar ze het in hun lichaam voelden. Dat was of alleen een gevoel of alleen een beweging. Zo heeft Penfield een soort algemene kaart of plattegrond gemaakt voor voelen en voor bewegen.

Om vrij en gemakkelijk te kunnen bewegen hebben we een steeds gedetailleerder sensorisch gebied nodig en steeds meer detail en variatie in de bewegingen wat het motorisch gebied steeds gedetailleerder maakt.

Beweging leren

Als een baby wordt geboren zijn alle hersencellen al in de hersenen aangelegd. Alleen hebben deze cellen nog niet veel verbindingen met andere hersencellen. Deze verbindingen ontwikkelen zich door te doen, door te ervaren. Als een aantal hersencellen zich met elkaar verbinden kan dat leiden tot een functie, zoals naar een speeltje reiken en het vervolgens ook vastpakken. Geheugenhersencellen, cellen uit het visuele gebied en hersencellen voor planning en motivatie horen daar ook bij om tot een gerichte actie te komen zoals het omrollen. Dus het is een hele drukke opbouw in de hersenen voordat er sprake kan zijn van gericht bewegen.

Het bewegen gaat in eerste instantie voornamelijk op basis van reflexpatronen. Dit zijn meer dwangmatige bewegingen, zoals alles buigen. Deze patronen komen niet uit de hersenschors maar uit de hersenstam. Deze reflexen hebben veelal te maken met overleven, zoals de tepelzoekreflex, die de baby bij aanraking rond de mond zich laat richten naar de plek waar de aanraking was. Terwijl de reflexen langzaam verdwijnen, gaat je baby meer en meer gericht bewegen.

De ontwikkeling van de sensorische en motorische kaart in de vorm van de homunculi is uitermate belangrijk. Hoe meer de sensorische connectie is ingevuld, hoe makkelijker je baby leert richten in de bewegingen en doelgerichte acties maakt. Hij voelt namelijk precies waar elk lichaamsdeel is en kan daardoor beter aansturen.

Ondersteunen van het in kaart brengen

De Child’Space Methode stimuleert het maken van verbindingen tussen lichaamsdelen en hersencellen door tappen (kloppen met de hand) en diepe druk en tegelijk benoemen van het betreffende lichaamsdeel. Tegelijk wordt daarmee dan de spierspanning geregeld: te veel spanning wordt lager, te lage spanning kan zo meer op de juiste spanning komen. Zo legt je baby de kaart gemakkelijker aan. In de Emmi Pikler Methode doen ze dat via oliën volgens een bepaalde volgorde na het baden en ook met benoemen van het betreffende lichaamsdeel. Meer over de Pikler methode kun je lezen in mijn blog over Emmi Pikler. Alle babymassages hebben waarschijnlijk hetzelfde effect. Daarnaast geven al die manieren je kind een aangenaam gevoel en verdiepen ze het contact met je kind.

Door te bewegen leert je kindje. Eerst maaien de armen alle kanten op en langzaam komt er steeds meer betrokkenheid bij die armen als ze onderweg ergens tegenaan komen. Bijvoorbeeld als het gezicht geraakt wordt komt ook de informatie van die aanraking erbij. En de volgende keer blijft het handje misschien even liggen, misschien komt het wel in het gebied van de tepelzoekreflex en zal het hoofd mee gaan bewegen en zo de mond richten naar de hand. Als dat een paar keer gebeurd is, zal de hand zich steeds beter kunnen richten op de mond. De baby kan dan gericht zijn hand in de mond steken.

Zoals je op de beeldjes kunt zien zijn de gebieden voor de verschillende lichaamsdelen niet gelijk. De mond en de handen bijvoorbeeld nemen een veel grotere plaats in de betreffende hersenschorsgebieden in. Bij de sensorische zijn de lippen en de tong het grootst in verhouding tot de rest van het lichaam, omdat daar heel veel sensoren op een heel klein plekje bij elkaar zitten. We kunnen daarmee heel verfijnd voelen met onze lippen en tong. In de bewegingshomunculus zijn de handen en met name de doe-hand, ongelooflijk groot ten opzichte van het lichaam van wege de fijne bewegingen die we met onze handen maken, ook wel fijne motoriek genoemd. En de mond is zo groot vanwege de fijne motoriek noodzakelijk voor het praten en het kauwen en slikken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.